Afscheid, littekens en

rucola dragon amandelpestoamandel rucola dragon pesto

Het begon al eerder, veel eerder, maar voor het gemak, zodat dit verhaal ergens aanvangt, begon het in de lente. Het is een dag in mei. Het is te koud om buiten te zitten, maar de lucht is te aangenaam om de ramen en deuren te sluiten. Ik heb mezelf in een deken gewikkeld. Ik lig op de bank. De buren aan de overkant staan eens niet op het balkon op hooligan-volume hun mannelijkheid aan elkaar te bewijzen met verhalen die klinken als agressieve komt-een-vrouw-bij-de-dokter-moppen. Er lopen geen rochelende pubers langs. Niemand deponeert glas in de glasbak. Er krijsen geen katten, er rijden geen auto’s en ook de buurtkinderen zijn stil. 

Ik lees de culturele bijlage van een krant. Ik kijk Girls. Acht afleveringen. Ik bedank collega’s voor hun beterschapswensen, bevestig dat ik naar een boekpresentatie ga, maak een kleine wandeling door het park, fotografeer onderweg bloemen, doe boodschappen, kook, neem me voor om groenten en kruiden te verpotten en zoek online naar boksscholen in de buurt, want ik heb zin om hard tegen dingen aan te slaan. Aan het einde van de dag staar ik, weer gewikkeld in een deken op de bank, naar mijn salarisstrook. Dit staren duurt lang. Ik zie het geruststellende bedrag, bedenk wat dat allemaal faciliteert en besluit toch op die koele lente-avond: ik ga het doen.

Zo begon het, maar ik had nog geen plan. Mensen die geen plan hebben, dromen over vluchten, over wonders, over plotsklapse door externe factoren ingezette verandering. Ik wilde niet dromen.

Een paar weken later nam ik ontslag en het was alsof er iets in mij ontplofte en zich door mijn hele lijf verspreidde -iets roods wat naar boven steeg zoals bij een thermometer- en eindigde bij mijn hoofd dat warm werd, nee gloeide voordat er een enorme glimlach uit sprong die úren daar bleef hangen. Ik lachte tijdens de spontaan na mijn mededeling ontstane borrel. Ik lachte terwijl ik het haar aaide van een collega die moest huilen en ik lachte met de collega’s die om mijn vertrek lachten. En de lach bleef. Op de fiets door de straten van de oude stad, alleen in de trein met  muziek op mijn oren, onderweg naar huis en in het park met mijn hoofd in de schoot van mijn lief waar ik de glimlach naar de hemel richtte terwijl de lucht paars, roze en oranje kleurde en ik toekeek en herhaaldelijk diep zuchtte.

Ik viel ook glimlachend in slaap, thuis, rond middernacht, met het geluid van donder op de achtergrond, starend naar het raam waar de regen tegen aan tikte, mijn hele lichaam héél zachtjes, bijna onwaarneemwaar trillend, terwijl het in mijn hoofd danste: ditisgelukditisgelukditisgeluk.

Geluk, in die extatische, belachelijk intense vorm, komt niet dagelijks voor en als het er is moet je het luidruchtig proeven, dacht ik, smakgeluiden maken, de ogen sluiten en het hoofd schudden, met de voeten stampen, misschien wel hardop kreunen; hm m m. (Of, zoals het er gedurende die dag naast het glimlachen bijzonder welbespraakt uit kwam: FUCK JA!)

Na de extase was er premature nostalgie. En ontroering. En het uiteindelijke afscheid. Het was vermoeiend, verwarrend en wonderschoon. 

Een paar dagen later bekeek ik mezelf in de spiegel in een kleedkamer. Mijn koksbuis, nog spierwit en glad, verried hoe nieuw ik daar was. Ik sprak mezelf toe: het ging een beetje pijn doen, maar daar ging niemand van dood.
Wekenlang verbaasde ik me vervolgens over mijn dagelijks leven. Ik zag mezelf kruiden zoeken in een koelkast ter grootte van mijn woonkamer en dacht: dit hoort nu bij mijn werk. Als een toerist in een ver land, signaleerde ik de hele dag door verschillen: in plaats van mails beantwoorden, oesters steken. In plaats van werkoverleg, mise-en-place lijsten afvinken. Dronken mensen in de nacht onderweg naar huis in plaats van forenzen. In plaats van telefoons die overgaan en collega’s die woordgrappen maken, het geluid van messen op snijplanken, vlees dat dichtgeschroeid wordt, zoemende ovens en afwasmachines en een eindeloze hoeveelheid piemelgrappen. En nooit meer weekend.

Nooit

meer

weekend.

Vrienden en ex-collega’s die nog wel weekend hadden, vroegen hoe het ging. Hoe ik me voelde. Ik verstuurde foto’s vanuit de keuken. Ik zei ‘ik voel me als geplukte frisee.’ (Groen en kriegelig?) ’Ik voel me als gestampte amarettikoekjes.’(Zoet en kapot?) Ik voel me als gewassen en in een enorme handcentrifuge gedroogde rucola.’ (Fris en bitter?) ‘Ik voel me als eiwitten in een industriële mixer.’ (Stijf en luchtig?) ‘Ik voel me als 5 kilo door vermoeide handen geknede crumble.’ (Kruimelig en boterig?) ‘ Ik voel me als vlammetjes in de vriezer.’ (Ijskoud en pittig?)
Ik zei ‘ik voel me als nét te zacht gekookte pompoen waar iemand zachtjes overheen huilt bij een lied van een gevoelige singer-songwriter voordat diegene weer tien uur lang in de keuken gaat staan. Laten we erom lachen.’

Werken in een professionele keuken is een vorm van zelfdestructie. Dat wist ik wel, maar het wordt nu ook zichtbaar. Op mijn huid. Er zijn snijwonden, brandplekken, pijnlijke eeltplekken, vreemde verdikkingen en mogelijk door chemische ontvetters veroorzaakte uitslag. En littekens. Veel littekens. En pijn. Zoveel pijn. Nooit eerder gebruikte spiergroepen die nu schreeuwen dat ik normaal moet doen. Gewrichten die au zeggen. Snijwonden die in contact met zout janken. Blaren die kloppen in de buurt van warmtebronnen. En zeurende blauwe plekken.

Ik vroeg de chef of het went, de pijn aan het lijf. Of leer je het negeren? Hij zei dat je het leert negeren. ‘Je wordt ook sterker,’ zei hij. Sterk en moe, dacht ik. Alle koks zijn moe. Ook de chef. Ik probeerde door te denken over het verband tussen pijn negeren en sterk zijn, maar er kwam iemand binnen met een krat pastinaak en iemand anders vroeg me om panna cotta te maken en weer iemand anders reikte me dansend een aanzetstaal aan en ik gaf het op.( Ik zou het overigens iedereen willen afraden om met een vlijmscherp koksmes in de hand door te denken.) 

Laatst ontmoette ik een vrouwelijke chef. Ik stond onverwachts in haar keuken. Ze verwonderde zich over mijn rode nagellak. Ik bood mijn excuses aan. ‘Het kan maar twee dagen in de week,’ zei ik. Ik vertelde haar dat ik langzaam alle vrouwelijke kenmerken verlies. De rode nagels zijn een verzetsdaad. Wanhopige compensatie. Vechten tegen een onafwendbare metamorfose. ‘Ik word langzaam een eeltige man,’ zei ik. ‘Uiteindelijk zal ik niet meer herkenbaar zijn als een mens. Ik word een geslachtloze machine. Met littekens.’ Ze lachte. ‘Die littekens zijn na drie jaar weg,’ zei ze. Ik hoop dat het waar is.

(Luister.)

Rucola-dragon- amandelpesto

  • hele oude, kruimelige boerenkaas of parmezaanse kaas *
  • een flinke hand amandelen
  • een teentje knoflook
  • de schil van een citroen
  • citroensap naar smaak*
  • een hand  of wat verse dragonblaadjes, een handje rucola *
  • olijfolie
  • snufje zout

*De hoeveelheden zijn niet heel precies genoteerd. Wat ik daarmee wil zeggen is: doe wat je lekker vindt. Denk er niet teveel over na. Proef en pas zo nodig aan. Leef je leven. Doe ‘je ding’.

Rooster de amandelen.

Gooi, met uitzondering van zout, olijfolie en citroensap, alle ingrediënten bij elkaar in een keukenmachine. Hak. Voeg wat olijfolie toe als het hakken niet lukt. En hak niet te fijn. (Ik houd van een beetje grof. Jij misschien niet. Hak dan lekker wel fijn. Het is oké. Echt. Geen probleem.)

Maak af met citroensap en zout naar smaak.

Schenk er flink wat olijfolie doorheen.

Smeer op brood, schep door gekookte pasta. Doe er dingen mee.

En laat het me weten als je doordenkt over het verband tussen pijn negeren en sterk zijn.

Comments are closed.