Alleen zijn en

Het had ook een druppel speciaalbier kunnen zijn, maar dat was het niet. Het was een verzuchting die als per ongeluk met de uitgeblazen rook van een onderlip gleed. Dat het niet per se jammer was dat het het leven verkort werd door roken, maar de manier waarop, de lijdensweg, de verergering van de natuurlijke aftakeling en de onnodige uitbreiding van pijn en ongemak die aan het vroegtijdig sterven vooraf gingen: daar zat toch niemand op te wachten? Een druppel speciaalbier is makkelijker uit de mondhoek of van een onderlip te verwiijderen. Een klein likje of een mouw langs die verzuchting halen werkte niet.

En zo gebeurde het dat er, op een koude lente-avond, in de motregen, bij een loods tussen een drukke weg en wat de Engelsen een ‘body of water’ zouden noemen, tussen een aantal kettingrokers onder invloed van uitstekend speciaalbier, een geëngangeerd gesprek aanving over ouderdom, eenzaamheid en de dood.

Wellicht was het de drank. Wellicht was iedereen gevloerd door de zwaarte van de programmering van het evenement waar we elkaar troffen. Misschien was het de koude nacht, of vriendschap, of een combinatie van die zaken. Wat het ook was: het bleek verrassend troostend om over hopeloosheid,  vereenzaming en dood te praten met gelijkgestemden. Niemand schaamde zich om hardop bang te zijn en het was treurig en prachtig. 

Natuurlijk kwamen we uit bij een voor onze politieke oriëntatie clichématige verontwaardiging. Natuurlijk strandden we steeds bij de hopeloze beperkingen van een systeem waarover we collectief het gevoel hadden erin opgesloten te zitten. Natuurlijk vonden we het wegstoppen van ouderen een pervers bijproduct van het kapitalisme en het geruisloos combineren van werk en zorgtaken een door de overheid  gepropageerde fictie. Natuurlijk vroegen we ons een tikkeltje vrijblijvend af waarom er culturen zijn waarin de uitsluiting van ouderen geen vanzelfsprekendheid is en probeerden we, even vrijblijvend, en ondanks het speciaalbier, met de nog beschikbare breinkracht, alternatieven te bedenken. Natuurlijk kwamen er geen antwoorden.

Eén aanwezige stelde zich hardop voor hoe het zou zijn om zich op oudere leeftijd terug te trekken. ‘Als een zieke hond,’ zei hij.  ‘De vernedering voor zijn.’  Ik vertelde over een man die geprobeerd had om weg te lopen, gevonden werd en onder toezicht werd gehouden wegens ‘dwaalgedrag’. Hij was onlangs gestorven. Alleen. In de nacht. Het werd er niet vrolijker op.

Zoals dat gaat met speciaalbier en levensvragen, proostten we maar op vriendschap en de hoop ook op leeftijd omringd te zullen zijn door mensen die er op z’n minst voor helpen zorgen dat we niet onnodig lang hoeven te lijden. Dat bracht ons weer bij één van de wreedheden van ouderdom: de dood van vrienden en geliefden. Gelukkig begon het te regenen. Of de goden spuugden op ons.

We gingen maar op ontdekking op de dansvloer waar de obscure jaren 80 een revival beleefden;  dichtgeknoopte overhemden, donkere elektronische muziek, synths en veel in het zwart gehulde, ernstig kijkende mensen die te cool waren om echt te dansen. Of te voorzichtig met hoe hun haar zat. In de nabijheid van al die mensenlichamen, omringd door al hun verschillende geuren en de ledematen ontwijkend van één van de weinig ongegeneerd dansende mannen, merkte ik dat het gesprek bijproducten had achtergelaten in mijn beschonken hoofd. Schuld, melancholie, vragen. Ook op de dansvloer. Ook als ik naar links en rechts bewoog. Ook terwijl ik op het punt stond de robot te doen.

Twee vragen tolden op de klanken van model5000 bijzonder volhardend in mijn brein rond: ‘Is er een verband tussen welvaart en eenzaamheid?’ En: ‘wanneer ben je eenzaam?’ 

De volgende dag in de trein, onderweg naar een andere stad, had ik nog geen antwoorden op die vragen. Aangekomen in die nieuwe stad, peinsde ik nog na, bijgestaan door de wraak van het bier van de nacht ervoor, de afwezigheid van bekende gezichten, de onbekende straten en de afwijkende tongval van de mensen in de stad. Ik kwam niet dichter bij een antwoord. Ik kwam wel in de buurt van de eenzaamheid die we eerder in theorie hadden benaderd, maar die kende ik al.

Ik dacht in de taxi na over onderweg zijn. Ooit had ik het reizen opgedeeld in fasen. Ik had bedacht dat eenzaamheid bijvoorbeeld bij de eerste fase van het reizen hoorde. En dat er vervreemding aan die eenzaamheid hing in fase één. Een discutabele bonus.
Fase twee bestond, volgens die ordening, uit berusting in de vervreemding. Capitulatie.  Als het mee zat, leidde die overgave naar fase drie: het punt waarop de vervreemding omsloeg in verwondering. Fase vier was wat ik door de jaren heen ‘het blijde dwalen’ was gaan noemen. Lopen, kijken, niets zoeken, alleen maar vinden. Geen druk. Ontspanning. Onderdompeling. Misschien zelfs verrukking, misschien zelfs avontuur.

Soms zat het echter niet mee en bleef de reiziger in fase één hangen. De melancholie nam dan de overhand. De reiziger ziet in de benige hand van de taxi-chaffeur die aan de volumeknop van een autoradio draait iets van poëzie, maar als hij blijft kijken, blijkt het potentïele gedicht over de hand van De Dood te gaan.  

Dagen later concludeer ik dat ik in fase één ben blijven hangen. Wandelend door de stad, weerspiegelde elk nieuw gezicht de hardheid van de stedelijke anonimitet. De wandelingen werden geen zorgeloze, avontuurlijke dwaalpartijen, maar een pelgrimstocht naar binnen. De anonimiteit die onder andere omstandigheden een fictief soort vrijheid schiep, faciliteerde nu een onzichtbaarheid die ruimte gaf voor introspectie. Maar voor de ijverige, zoekende reiziger bleek, in de overvolle, van alle kanten geluid producerende stad ook een aangename stilte te zijn. Geen blijheid, geen lol, geen fictieve reizigersvrijheid, maar iets wat verdacht veel op sereniteit leek.

Fase één was zo erg nog niet.

Aan het einde van de dag moet ook de verstilde mens eten. Eten voor één.  Daar zal het de komende tijd vaker over gaan, besluit ik. Eten voor mensen die alleen zijn. Al dan niet sereen.

(En luister, of kijk en glimach een beetje.)

chorizo carbonara

 

Bucatini carbonara met chorizo en manchego

  • Bucatini voor één
  • chorizo voor één
  • 2 eieren
  • de schil van een citroen
  • citroensap naar smaak
  • manchego voor twee (je weet dat het lekker is)
  • olijfolie
  • een teentje knoflook (optioneel)
  • basilicum (optioneel)
  • peper en zout naar smaak

Breng water aan de kook.

Kook de bucatini volgens de aanwijzingen op de verpakking. Giet deze af, maar bewaar een kopje van het kookwater.

Snijd de chorizo in stukken.

Rasp de manchego.

Hak, als je die gebruikt, de knoflook fijn.

Kluts de eieren met de citroenschil en zoveel manchego als je lekker vindt. (Doe maar veel. Doe maar.)

Verwarm in een pan een scheutje olijfolie en bak hierin de chorizo.

Bak de knoflook mee als je die gebruikt.

Voeg de pasta toe en schep om.

Verlaag het vuur en schep het eiermengsel door het geheel. Let op dat de eieren niet gaan stollen. Je wilt een iets dikkere saus, geen pasta met roerei.

Voeg, zo nodig, een beetje kookvocht toe om de saus wat smeuïger te maken.

Maak af met citroensap, zout en zwarte peper naar smaak.

Strooi er geraspte manchego en eventueel wat basilicum overheen.

Comments are closed.