Kluiven, wreedheid en

spareribs met tijm en honing

Kluiven. Daar begon het mee. Ik dacht na over kluiven. Als in: de handeling waarbij een mens, wellicht met de pinken omhoog, een lichaamsdeel van een gestorven (zoog)dier in zijn of haar handen vasthoudt en, met de tanden tegen het bot van het dode dier, het vlees afknaagt.

Ik wilde een luchtig stukje over kluiven schrijven. Over gestoomde en geroosterde spareribs die lekker zijn met om het even welk smeersel. Maar ik bleef hangen in die beeldbeschrijving. Het zijn verrassend hardnekkige beelden. Probeer het maar:

Levend zoogdier
schraapt
met de tanden
tegen de botten
van een dood dier
tot het vlees los komt.

Levend zoogdier
beweegt kaken.

Levend zoogdier kauwt
op de stukjes dood (zoog)dier.

Levend dier smakt misschien.
Levend dier slikt.
Levend dier veegt mond af.

Ja ja, het begon met sappige, zachte, spareribs. Maar er is ook sprake van enige wreedheid, nietwaar?

Ik kende vroeger iemand die op lome, katerige zondagmiddagen graag National Geographic keek. Daardoor weet ik dat men met de juiste beeldvolgorde en de juiste droogkomische Britse voice-over nog best iets luchtigs kan maken van wreedheid.

Een panter die een babyhertje uit elkaar trekt is heftig. Maar een panter die een babyhertje uit elkaar trekt, gevolgd door wat strijkers, een zwerm vogels, adembenemende shots van de ondergaande zon en die Britse voice-over die met zijn stembanden zijn schouders ophaalt en zachtjes zucht; dat werkt zalvend. ‘Dat hoort er ook bij,’ horen we onszelf denken. We berusten ons in de horror en, voor we het weten, begeleidt de Britse meneer ons naar een nieuw seizoen, zien we een lieflijk fladderend vogeltje zoals we dat nooit in onze overbevolkte betonnen steden zagen en de schoonheid en lichtheid van dit alles, maken de kater en de wreedheid draaglijk. We worden eraan herinnerd dat wreedheid niet op zichzelf staat. De wreedheid is ook omringd door schoonheid. Toch?

‘Toch?’
Natuurlijk leidde die vraag tot een mijmerpartij.

Ik dacht aan achteloze wreedheid.
Ik dacht aan de ontkenning van wreedheid.
Ik dacht aan de natuur.
En aan dierlijkheid.
En de dood.

Ik herinnerde me een bezoek aan een restaurant waar ik iemand kippenvleugels met mes en vork had zien eten. Ze was voorzichtig. Beleefd. Ze had het moeilijk. Het had iets treurigs om haar langzaam, geduldig, onhandig, ongemakkelijk het vlees om de botjes weg te zien snijden. Tijdens dit karweitje schoot er ook nog een kippenvleugel weg. Het viel naast de tafel waar ze aan zat te eten met een man die lachte en hardop zei dat hij vlees met bot ‘teveel gedoe’ vond. En hij wilde aan zijn vlees eigenlijk ook niet zien dat het een dier geweest was. Waarschijnlijk had hij daarom fajita’s besteld. Met kipfilet.

Die man ontkende dus zijn eigen wreedheid, dacht ik. Waarom?

Ik dacht na over honger, over primaire behoeftes, over vuur, over de opwarming van de aarde, over genot, over vlees waar het vet vanaf druipt en over lust.

Ik dacht oude dingen die even heel actueel leken.
Bijvoorbeeld: ‘Verdomd. We zijn dieren. Jeetje.’
Dat duurde gelukkig niet lang.

Ik dacht ook aan de beste manier om te kluiven. Goed kluiven, dacht ik, is geen kunst, zover wilde ik niet gaan, maar ik wilde het wel een talentje noemen.

Ik probeerde de belangrijkste voorwaarden voor ‘goed kluiven’ te formuleren. Schaamteloosheid en een zeker gebrek aan voorzichtigheid zijn bijvoorbeeld onmisbaar, dacht ik. En kluiven is eigenlijk ook bij uitstek een activiteit voor mensen die alleen zijn, want natuurlijk, een mens kan in gezelschap kluiven, maar in eenzaamheid kon men, in alle rust, verlost van de (verschrikte) blik van de ander, dierlijkheid, wreedheid en schaamteloosheid onderzoeken.

Toen ontspoorde de mijmerpartij helemaal. Want leidt alleen zijn tot schaamteloosheid? Leidt de blik van de ander tot voorzichtigheid en schaamte? En die wreedheid? Is dat een te accepteren onderdeel van de dierlijkheid?  En waar neemt bewustzijn het over van dierlijkheid? En leidt de blik van de ander indirect tot het verdringen van wreedheid?

‘Vlees eten is het nieuwe roken.’ Dat las ik laatst ergens. Daar dacht ik ook maar even over na.

En ik dacht aan de weg die het dier had afgelegd voordat het dood en dampend op mijn bord was beland. Ik dacht aan hoe ik soms probeerde iets van dankbaarheid te communiceren voordat ik aanviel als een beest waarvoor het vuile werk reeds gedaan was. Ik vond op die momenten nooit de woorden, want welke taal gebruik je om dankbaarheid te uiten voor iets wat voor jouw voeding en genot gestorven was? (Daarbij was er nog het probleem van het adresseren. Aan wie richtte je de woorden als je ze al kon vinden? Aan het stukje dier dat zonder bewustzijn op je bord lag te dampen? Aan het dier dat ooit was? Aan de natuur? Aan het universum? Aan de evolutie? Aan God?)

Ik heb geen sluitend verhaal. Ik heb nooit echt een sluitend verhaal. Daarvoor zijn er teveel vragen die een mens zich kan stellen. Maar elke mijmerpartij moet eens eindigen. Bijvoorbeeld met een stappenplan om ‘goed’ te kluiven. Zo:

1. Wees alleen. Of wees in het gezelschap van iemand die niet snel schrikt en die jou onvoorwaardelijk, volledig in je (kluivende) lelijkheid accepteert of bovengemiddeld kundig tolereert.
2. Stel je niet teveel vragen over alleen zijn.
3. Stel je niet teveel vragen over het bestaan van een persoon die niet snel schrikt en die je onvoorwaardelijk, volledig in je (kluivende) lelijkheid accepteert of bovengemiddeld kundig tolereert.
4. Zet een plezant muziekje op.
5. Zorg voor lekker vlees.
6. De mens is een dier, maar de mens heeft ook elegante toepassingen voor vuur. Gaar het vlees fatsoenlijk.
7. Onderstreep punt zes door een kaarsje te branden. Voor jezelf, voor de sfeer of ter nagedachtenis van het gestorven beest. Kijk maar wat past.
8. Ga er eens rustig voor zitten.
9. Schaam je niet. Dat kost tijd. Het vlees wordt koud.
10. Doe het. Val aan. Met handen en tanden. Vlees, vet, vocht, vel, kraakbeen; alles. Bijt waar mogelijk hier en daar in een bot. Kauw erop als het goed voelt.
11. Zucht diep.
12. Bedenk dat je zojuist je lichaam van B12 hebt voorzien. Mijn moeder zou trots op je zijn.
13. Denk aan hoe mooi het licht kan vallen op in de wind dansende boomtoppen. Denk aan een mooi schilderij. Denk aan penseelstreken waar verlichting uit lijkt te spreken. Denk aan woorden die achter elkaar zinnen maken die dansen. Denk aan ritme. Denk aan de structuur van een perfecte mousseline. Denk aan sproeten. Denk aan het geluid van de zee. Denk aan de geur van de zee. Denk aan ogen in dezelfde kleur als de zee in de tropen. Denk aan ogen in de kleur van verkoelende plassen in de mooiste Noord-Europese zomer. Denk aan rondingen. Denk aan madeliefjes. Denk aan een goed verteld verhaal. Denk aan een goede grap en de lach die daarop volgt. Denk aan zachte vingertoppen. Denk aan perfect zoet-zout-zuur-pittige Pad Thai. Denk aan de geur van een gekneusd lavendelbloemetje. Denk aan een warm bad.
14. Aanschouw het begin van een nieuw seizoen. 
15. Wees dankbaar.
16. Was je handen.
17. Schaam je niet.

(Luister.)

Spareribs met honing en tijm

  • spareribs voor één
  • een paar doormidden gesneden tenen knoflook
  • verse kruiden (ik had geloof ik vooral tijm, wat rozemarijn en wat peterselie)
  • een rode ui
  • zout en peper
  • honing
  • olijfolie

Smeer de spareribs in met zout en peper. Leg een vel aluminiumfolie op een bakplaat.  Leg daar de kruiden en de knoflook op.

Leg daar weer de spareribs op.

Vouw de folie om de spareribs heen.

Gaar de spareribs langzaam (een uur, of anderhalf, of twee) in een voorverwarmde oven op 150 tot 160 graden.

Snipper ondertussen de ui en en bak deze glazig in een beetje olijfolie. Voeg dan wat water, zout en peper naar smaak toe. Laat even pruttelen. Voeg tenslotte honing toe. Niet te zuinig. Plakribbetjes zijn lekker.  Als het goed is heb je nu een een roze mengsel. Pureer het geheel. Proef op zout, peper en honing. Kruid zo nodig bij.

Haal de spareribs uit de oven, pak ze uit en smeer ze in met het roze mengsel dat je net maakte.

Grill de spareribs op hoge temperatuur tot ze een mooie kleur hebben. Smeer ze, zo gewenst, tussen het grillen door nogmaals in met het mengsel.

Eet met je handen.

PS: Geen zin om een smeersel te maken? Smeer de ribben na het stomen in met een goede barbecuesaus of een zoetige sambal of een combinatie van die dingen en grill tot ze mooi van kleur zijn. Je kunt de ribben eigenlijk niet verpesten na het langzame garen in folie. Ze worden zo mooi zacht en lekker dat alles werkt. Echt. Alles.

Comments are closed.